Waterzicht 018: Woorden doen ertoe, juist bij klimaatverandering


Ik houd van taal, van mooie zinnen die tot de verbeelding spreken. De kunst om een inspirerend verhaal neer te zetten over iets wat misschien iedereen diep in zijn hart wel weet, maar toch nog onvoldoende beseft.

De speech die de Canadese premier Mark Carney begin 2026 gaf tijdens het World Economic Forum  in Davos was er zo eentje. De wereld verandert sneller dan gedacht en misschien gehoopt én de oude wereld keert niet terug. Jan Rotmans spreekt daarom over een verandering van tijdperk. We zijn in transitie of we het willen of niet. Klimaatverandering is op de tijdschaal van een mensenleven een langzaam proces, maar gaat gestaag door. Ons klimaatsysteem is zo uit evenwicht dat het nog eeuwen, misschien wel millennia zal duren voordat een nieuw evenwicht is bereikt.

Kunst van communicatie

Waterschappen staan aan de frontlinie van klimaatverandering en hebben nauwelijks invloed om die te stoppen. Ze hebben veel meer invloed op de aanpassing aan het veranderende klimaat. Ik denk aan: ruimte reserveringen voor dijkversterkingen, het vergroten van de sponswerking van de bodem, het omgaan met zoetwatertekorten en verzilting. Maar ze kunnen het niet alleen en zijn afhankelijk van medeoverheden die over de ruimtelijke ordening gaan, van het bedrijfsleven, van maatschappelijke organisaties en uiteindelijk van de inwoners die linksom of rechtsom de rekening betalen. Daarom moeten waterschappen over het voetlicht brengen dat de baten van goed waterbeheer veel groter zijn dan de kosten, ook wanneer de kosten in de toekomst toenemen. Het is een existentieel belang. De kunst van taal en communicatie is dus essentieel. Communicatie over klimaatverandering plaatst ons voor een aantal dilemma’s.

Balanceren op een smal koord

We zijn gewend om verandering te duiden als een in de tijd begrensd proces: ”Van A (de status quo) naar B (de gewenste situatie)”. Aan klimaatverandering komt voorlopig echter geen einde en het proces gaat sneller dan verwacht. De term ‘toekomstbestendig’ is daarom voor mij een jeukwoord. Het suggereert dat het na een aantal maatregelen wel weer even klaar is. We zullen echter moeten wennen aan blijvende aanpassing. Kleine stappen voorwaarts op een trap waarvan we niet weten waar die precies naartoe leidt.

Een tweede dilemma is communicatie over onzekerheden. Hoe graag zouden we de toekomst willen kunnen voorspellen. Tegelijkertijd hebben zeker de laatste jaren laten zien hoe futiel dit is. Het durven nemen van besluiten onder onzekerheid is belangrijk. Scenario’s, dat wil zeggen mogelijke ontwikkelingen van de toekomst, zijn dan waardevol om de robuustheid van strategische beslissingen te toetsen.

Een derde dilemma is hoe om te gaan met scenario’s waarvan de gevolgen bedreigend en pijnlijk kunnen zijn. De beschuldiging van bangmakerij ligt al snel op de loer, zeker als de verwachting minder ernstig uitpakt. Het KNMI ervaart dit aan den lijve. Wanneer roepen we code rood af? Hoe brengen we de boodschap dat de meest extreme broeikasgasuitstoot scenario’s minder waarschijnlijk zijn geworden, terwijl de gevolgen van de meer waarschijnlijke uitstootscenario’s ernstiger lijken te zijn? Het is balanceren op een smal koord. Het vraagt lef om toch een boodschap te durven brengen die niet zeker en niet voor iedereen welgevallig is.

Vaak te laat met watermaatregelen

De filosoof Alain de Botton schrijft dat we eigenlijk niets leren als we niet pijn lijden. Het is een trieste boodschap die ook wordt bevestigd door de watergeschiedenis in Nederland. Het plan van Johan van Veen was klaar, maar werd pas uitgevoerd na de waternoodramp in 1953. In 1995 moesten eerst een kwart miljoen mensen worden geëvacueerd voordat het besef indaalde dat onze rivieren meer ruimte nodig hadden. In het Westland moesten de kassen eerst onder water staan voordat een programma werd geïmplementeerd om de weerbaarheid te vergroten. Toen werd 2 miljoen m3 noodbergingen aangelegd.

We zijn dus vaak te laat. Dat is een ongemakkelijke boodschap in een land met zoveel waterexpertise. Hoe kunnen we taal gebruiken om dreigingen zo te verwoorden dat ze niet tot verstarring of wegkijken leiden, maar ons juist inspireren om in actie te komen? Lotte Jensen stelt in haar boek “Wij en Water” terecht dat het onderkennen van onze kwetsbaarheid belangrijker is dan ooit. Naast onderkenning zullen we onze inwoners ook concrete voorbeelden moeten geven van wat zij zelf kunnen doen.

NIET veilig én leefbaar TENZIJ...

Het belang van woordkeuze kwam ook op bij de afsluiting van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Annemiek Roeling, Saskia van Vuren en Saskia van Gool gaven drie inspirerende presentaties en een hoopvolle conclusie: Nederland blijft nog eeuwen veilig én leefbaar MITS we blijven werken om de basis op orde te brengen vóór 2050, ruimte reserveren voor toekomstige dijkversterkingen, de beschikbaarheid van grondstoffen als zand en klei veiligstellen, ons aanpassen aan toenemende verzilting en meer financiële middelen beschikbaar stellen. Een van de aanwezige bestuurders vroeg of de boodschap niet beter anders moest worden verwoord. Nederland blijft NIET nog eeuwen veilig én leefbaar TENZIJ aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Bij een optimistische boodschap kunnen immers de ‘mitsen’ snel uit het oog raken.

Ja: we hebben alles in huis om de komende honderd jaar in deze delta goed te kunnen blijven leven. En dat vraagt om nu te blijven investeren in die randvoorwaarden én om een woordkeuze die aanzet tot handelen.


Over Waterzicht

Als dijkgraaf is Piet-Hein Daverveldt hét gezicht van ons hoogheemraadschap. Met ‘Waterzicht’, een serie blogs, vertelt hij in woord en beeld over zijn werk en zijn overpeinzingen.

Meer over de dijkgraaf