Speech crisismanagers, Unie van Waterschappen, september 2026
Beste crisismanagers,
De waterschappen staan deze zomer meer dan ooit in de belangstelling. Niet alleen lokale en nationale media, maar zelfs internationale media zoals Al Jazeera willen weten hoe ernstig de droogte hier uitpakt. En vooral: wat wij doen om de gevolgen te beperken.
Velen nemen deze zomer het woord crisis in de mond. Veel waterschappen hebben ook besloten om op te schalen en de hulp in te roepen van hun crisisorganisatie.
Ik wil vanmorgen stilstaan bij vier vragen:
- Was het nu wel of niet een crisis?
- Hoe staat het met onze weerbaarheid?
- Hoe om te gaan met onzekerheid? Welke blinde vlekken hebben we?
- En hoe krijgen we 18 miljoen deltawerkers?
Was het nu wel of niet een crisis?
Ik denk dat er sprake is van crisisinflatie en misschien daardoor ook wel van crisismoeheid.
We hebben de woningcrisis, de bestaanszekerheidscrisis, de stikstofcrisis, de energiecrisis, de immigratiecrisis, de biodiversiteitscrisis, de voedselcrisis, de klimaatcrisis, de schuldencrisis en, na de PISA-resultaten van twee weken geleden, misschien ook wel de leesvaardigheidscrisis.
Als alles een crisis is, is uiteindelijk niets meer een crisis. En dan hebben we steeds grotere superlatieven nodig om ergens nog de aandacht op te vestigen.
Neem als voorbeeld de droogte van de afgelopen zomer. Die is een manifestatie van klimaatverandering en allang door wetenschappers voorspeld. Lees de KNMI-klimaatscenario’s uit 2023 er nog maar eens op na. Het treedt alleen vaker en heviger op dan we eerder verwachtten.
Het woord droogtecrisis suggereert dat het uitzonderlijk is. Maar dat is het niet meer. Voor mij is deze droogte vooral een voorproefje van de toekomst.
Het omgaan met grote zoetwatertekorten zal dus steeds meer onderdeel moeten zijn van ons reguliere werk. Juist omdat droogte steeds meer onderdeel wordt van onze werkelijkheid, moeten we onderscheid maken tussen wat we structureel organiseren en waarvoor we tijdelijk opschalen. Wat niet meer uitzonderlijk is, kun je ook niet als uitzondering blijven organiseren.
Een andere overweging is dat droogte zich over een langere periode manifesteert. Het heeft in mijn ogen voordelen als een crisisorganisatie niet maandenlang opgeschaald hoeft te blijven. Er zou namelijk zomaar nog een andere crisis tussendoor kunnen komen. En dan is het prettig als je nog over crisismanagementcapaciteit beschikt die niet al volledig is benut.
Dit is geen fictie. Het gebeurde deze zomer in onze eigen regio. In augustus hadden we te maken met een breuk van een persleiding in eigendom van de gemeente Rotterdam, onder een watergang van Delfland, met effect op de wateraanvoer van Schieland en de Krimpenerwaard. Een volgende crisis wacht nu eenmaal niet tot we klaar zijn met de vorige.
Ook de Rijksoverheid heeft besloten niet op te schalen naar de fase 3 crisis situatie. Er was geen maatschappelijke onrust en essentiële diensten zoals drinkwatervoorziening kwamen niet in gevaar. Er is dan geen meerwaarde om een nationale crisis uit te roepen.
Toch zullen echte crisissituaties blijven voorkomen. Dat betekent dat we moeten blijven oefenen en niet alleen in de eigen waterkolom maar juist met ketenpartners. Dat is geen gemakkelijke opgave met volle bestuurlijke agenda’s. Toch weet ik zeker dat als de crisis zich aandient, iedereen het eens is dat die investering zich heeft terugverdiend.
Hoe staat het met onze weerbaarheid?
Het korte antwoord is: 'Niet goed genoeg'. Weerbaarheid is dan ook terecht met stip gestegen op onze prioriteitenlijst.
Ik ben blij dat de overheid in navolging van Scandinavische landen een brief heeft gestuurd aan alle huishoudens met de oproep om 72 uur zelfvoorzienend te zijn en een noodpakket aan te schaffen. Toch denk ik dat Nederlanders het belang van weerbaarheid nog steeds minder beseffen dan Scandinaviërs.
De realiteit is echter dat we te maken hebben met steeds meer cyberaanvallen en ook sabotageacties van fysieke infrastructuur. Denk aan de datakabels op zee, de hoofdspanningsleidingen en de spoorrails.
Delfland ervaart die digitale dreiging dagelijks. In een periode van veertien dagen slaat onze firewall 600.000 aanvallen af en zijn 20.000 phishingmails onderschept. Dat zijn ruim 44.000 dreigingen per dag en dat elke dag weer, elke 2 seconden een dreiging die wordt afgeslagen.
Die kwetsbaarheid is de keerzijde van de enorme efficiëntie waarmee we alles in Nederland hebben ingericht. We zijn goed in integratie en koppeling van digitale systemen en in just in time-management.
Dat is prachtig als ik vanavond naar de bioscoop wil. Het filmaanbod is direct zichtbaar op mijn telefoon. Ik kies een film, reserveer mijn stoel, betaal mijn toegangsbewijs en ontvang direct een QR-code die ik in mijn digitale wallet kan bewaren. Dit alles binnen één minuut.
Hetzelfde geldt voor veel dienstverlening van de overheid. Met DigiD identificeer ik mij en kan ik allerlei zaken direct digitaal afhandelen. Allemaal prachtig. Maar het heeft een keerzijde. De energie-, communicatie- en waterketens zijn kwetsbaar voor disruptie. Vroeger dachten we dan aan technisch falen; tegenwoordig kunnen we sabotage niet uitsluiten.
In plaats van alleen just in time zullen we daarom de stap moeten zetten naar just in case. Dus meer systeemredundantie, meer strategische autonomie van Europa, meer allianties op basis van gedeelde waarden.
Maar weerbaarheid gaat niet alleen over onze economie, technologie en digitale infrastructuur. De weerbaarheid van onze waterinfrastructuur moet ook worden versterkt.
Deltacommissaris Co Verdaas heeft onlangs bij Nieuwsuur duidelijk gemaakt dat we tegen diverse maakbaarheidsgrenzen aanlopen. Peilverlagingen die leiden tot verdere bodemdaling, zijn niet langer vol te houden. We zullen leren moeten omgaan met verzilting. We hebben sowieso al een enorme vervangingsopgave van onze infrastructuur. Klimaatverandering legt de lat nog veel hoger. Zeespiegelstijging vraagt om nieuwe Delta werken. Extreme buien en langdurige droogte vragen om meer ruimte voor noodbergingen en zoetwater buffers. Water en bodem zullen de keuzes bij ruimtelijke ontwikkeling moeten sturen.
En dan blijft ook hier gelden: meer handelen op basis van Just in Case.
Hoe om te gaan met onzekerheid? Welke blinde vlekken hebben we?
Wat zouden we graag de toekomst willen voorspellen. Maar als we de klok vijftig jaar terugzetten, zien we hoe futiel dat is. Wie had toen kunnen denken aan zelfrijdende auto’s, DNA-editing of AI agents? We zijn beperkt in ons voorstellingsvermogen en zien de toekomst vaak als een extrapolatie van historische trends. Zoals Niels Bohr gezegd heeft: “Voorspellen is moeilijk zeker als het de toekomst betreft.”
De razendsnelle AI ontwikkelingen spreken boekdelen. Gaan we, zoals Elon Musk zegt, een tijd tegemoet van ongekende overvloed of is het einde van de mensheid nabij? Hoe moeten we ons dan voorbereiden op een onvoorspelbare toekomst?
Toekomstscenario’s kunnen uitkomst bieden. Die toekomstscenario’s moeten dan wel ruimte bieden aan geopolitieke, technologische, economische en sociale ontwikkelingen en keteneffecten ook als die minder waarschijnlijk lijken. David Shukman geeft in zijn boek “The Response, A Story of Fire and Flood in Britain’s New World of Extremes” interessante voorbeelden van keteneffecten. Vele airconditioning systemen in datacentra zijn niet ontworpen voor de extreme hittegolven met temperaturen van boven de 40 graden Celsius. In twee grote ziekenhuizen in Londen vielen binnen zes uur hierdoor alle systemen uit. Aan dit soort kwetsbaarheden was nooit eerder gedacht.
We moeten dus ons voorstellingsvermogen uitdagen. Zo kunnen we blinde vlekken vermijden en de robuustheid van onze strategieën beter testen. Nassim Nicholas Taleb gaat zelfs nog een stap verder. Hij pleit voor niet alleen robuuste maar zelfs antifragiele strategieën. Fragiel betekent dat iets niet schokbestendig is. Denk aan de doos met etiket: 'Fragiel, Niet Schudden'. Antifragiele strategieën worden juist effectiever bij schokken.
Een voorbeeld. Hoge dijken zijn op zich fragiel. Het is wachten op de storm die krachtiger is dan waar de dijk op berekend is. Nature based solutions kunnen juist antifragiele kenmerken hebben. Als het land wordt overstroomd, wordt sediment achtergelaten waardoor het land beter bestand wordt tegen hoog water.
Ik vind het een interessante gedachte maar heb een echt antifragiele delta strategie nog niet direct voor ogen. Daarom houd ik het maar even op robuuste strategieën.
Dat betekent dat we uitgaan van de ergst denkbare en toch plausibele scenario’s. Dat doen we voor droogte, stortbuien en zeespiegelstijging. En vervolgens bezien welke maatregelen de schade voor economie, natuur, samenleving zoveel mogelijk beperken. Dat alles in het besef dat we deze scenario’s moeten blijven herijken.
We zullen ons moeten blijven aanpassen, omdat ons klimaatsysteem nog lang geen nieuw evenwicht heeft bereikt. Klimaat kantelpunten, zoals het stilvallen van de AMOC-golfstroom, kunnen het zelfs noodzakelijk maken om ons sneller aan te passen aan een hogere zeespiegel dan we nu voorzien.
Een plausibel worst case scenario betekent nog niet dat we er ook naar handelen. Onzekerheid over de toekomst blijft ons achtervolgen en kan makkelijk leiden tot het uitstellen van keuzes. Er is altijd de roep om meer data, meer analyse, nieuwe rapporten.
Ik moet dan denken aan de P = 40% to 70% formule van oud generaal Colin Powell. P is de kans op succes. Vertrouw binnen het 40-70% interval op je intuïtie. Neem geen beslissing als je slechts zo weinig informatie hebt dat de kans op succes minder dan 40% is. Dan ben je roekeloos. Maar wacht ook niet tot je zoveel informatie hebt dat je 100% zeker bent van succes. In dat geval ben je gewoon te laat.
Ik denk dat ook bestuurders en ook crisismanagers baat kunnen hebben bij zo’n regel.
Want één ding moeten we niet vergeten: Niets doen is óók een keuze. Dus ja de tijd nemen om zorgvuldig handelingsperspectieven te evalueren maar daarna wel het lef tonen om knopen door te hakken.
Hoe krijgen we 18 miljoen deltawerkers?
Co Verdaas sprak bij Nieuwsuur over zijn wens om 18 miljoen deltawerkers te hebben. Hij bedoelt daarmee natuurlijk een samenleving die beseft wat nodig is om in een laaggelegen delta goed en veilig te kunnen blijven leven. Hier ligt voor ons waterschappers een belangrijke rol.
De kracht van samen optrekken is evident. We hebben elkaar nodig, niet alleen onderling als waterschappen maar ook met onze crisispartners. Bovenregionale samenwerking wordt steeds belangrijker en juist daarom moeten we met veiligheidsregio’s ook op bestuurlijk niveau blijven oefenen.
Maar dit betekent nog niet dat we daarmee 18 miljoen deltawerkers hebben. Die uitdaging is veel groter.
Ik heb daarbij twee zorgen.
Ten eerste de politisering van klimaatverandering. Klimaatverandering is niet links of rechts. Deze planeet is van ons allemaal. En al denkt misschien Elon Musk daar anders over: er is geen planeet B als het ons hier te heet onder de voeten wordt.
Ten tweede is voor velen de leefbaarheid van onze omgeving te vanzelfsprekend. Natuurlijk hebben we droge voeten. Natuurlijk komt er drinkwater uit de kraan. Natuurlijk houden we het zoute zeewater op afstand. Als er al uitdagingen zijn, dan zijn er altijd wel weer technische oplossingen die ons systeem overeind houden. We denken niet of nauwelijks na over de grenzen aan de maakbaarheid en de impact van ons eigen handelen op klimaatverandering. Minister Karremans spreekt dan ook over zijn ministerie van Vanzelfsprekendheden. Die vanzelfsprekendheid is wat mij betreft verleden tijd.
De Deltacommissaris heeft een mooi drieluik gepresenteerd met de drie O’s: onweerlegbare trends, onontkoombare opgaven en onafwendbare keuzes. Het is een heel krachtig narratief. Toch denk ik dat het nog maar weinig Nederlanders heeft bereikt. We zullen daarom sociale bubbels moeten doorbreken. Influencers, kustenaars, journalisten en jongeren zijn daarbij belangrijker dan dijkgraven – hoe graag ik zelf ook mijn bijdrage lever.
En dan komen we vanzelf bij taal. Die is heel belangrijk.
Deze zomer werd ik geïnspireerd door een TED-talk van John Marshall, een communicatiestrateeg. Zijn boodschap is niet alleen relevant voor risicocommunicatie, maar ook voor crisiscommunicatie. Eén van zijn uitspraken bleef bij mij hangen: 'Niemand staat ’s ochtends op en zegt: vandaag is een mooie dag voor de-carbonisatie'. Zo denken mensen niet. Hij doet een paar simpele suggesties.
Ten eerste: maak de taal begrijpelijk. Praat dus niet alleen over 1,5 graad temperatuurstijging, maar over klimaatverandering die kan leiden tot slechtere oogsten en hogere voedselprijzen. Maak het persoonlijk en relevant: dus in plaats van “stop broeikasgasemissies” liever “voorkom mijn wateroverlast” of “jouw huis wordt onverzekerbaar”. Op zoek naar een verbindende conclusie die politieke verschillen overstijgt komt hij met de oproep “Bescherm waar je van houdt”. Kort. Krachtig. En het bleef bij mij hangen.
Samenvattend
Klimaatverandering: wen er maar aan. Probeer de gevolgen ervan zoveel mogelijk te beleggen in de reguliere organisatie. Wat structureel wordt, kun je niet permanent als crisis behandelen.
Toch zullen bovenregionale crises nog steeds voorkomen. We hebben elkaar dan hard nodig. Samenwerken is meer dan ooit van belang. En oefen dus met elkaar en met de crisispartners op alle niveaus.
Weerbaarheid: accepteer dat weerbaarheid ten koste gaat van efficiëntie. Het kost geld, maar de businesscase is volgens mij uiteindelijk positief.
Onzekerheid en blinde vlekken: ontwikkelingen gaan razendsnel. Blijf alert, wendbaar en waar mogelijk antifragiel. Scenario’s zijn goede instrumenten om de robuustheid van onze strategieën te toetsen.
En ten slotte: neem de samenleving mee. Maak het persoonlijk. Bescherm waar je van houdt. Want 18 miljoen deltawerkers krijg je niet door 18 miljoen mensen een crisisplan te geven. Je krijgt ze door mensen te laten begrijpen wat er op het spel staat.