Dijkveiligheid bij droogte
Een veendijk is een dijk waarvan de ondergrond uit veen bestaat of een dijk die geheel of gedeeltelijk op een veenondergrond ligt. Deze dijken liggen vaak in gebieden met polders en droogmakerijen.
De term ‘veendijk’ gebruiken we liever niet meer. Onze dijken en kades bestaan niet volledig uit veen, maar hebben veen in de ondergrond. We spreken daarom over droogtegevoelige dijken. In Delfland ligt zo’n 200 kilometer aan droogtegevoelige dijken.
Dit geldt voor dijken met veen in de ondergrond of dijk. Veen heeft de eigenschap bij langdurige droogte te krimpen en minder zwaar te worden. Daardoor kunnen zodanige scheuren en verzakkingen in de dijk ontstaan. Dat kan dat er zelfs leiden tot een dijkdoorbraak kan optreden. Om dit te voorkomen houden we de dijken stevig door klei aan te brengen. De klei beschermt het veen ook tegen uitdrogen.
Andere dijken zijn onder meer opgebouwd uit klei en zand. Deze grondsoorten behouden ongeveer hetzelfde gewicht bij droogte. Daarom blijven ze ook bij droogte stabiel genoeg om het water tegen te houden.
Droogtegevoelige dijken (veendijken) zijn hoofdzakelijk te vinden in de gemeenten Midden-Delfland, Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp. In totaal ligt er zo’n 200 kilometer aan droogtegevoelige dijken waar veen in de ondergrond voorkomt.
Delfland onderhoudt dijken en kades en voert regelmatig groot onderhoud uit. Ook lossen we problemen zoals lekkages en kleine verzakkingen op als dat nodig is. Dat doen we op basis van meldingen en inspecties. Tijdens extreem droge periodes controleren we droogtegevoelige dijken extra. Zo kunnen we eventuele problemen op tijd signaleren en aanpakken.
Lange hersteltijd
Eén regenbui is niet voldoende voor droogtegevoelige dijken/veendijken om na lange droogte te herstellen. 'Uitgedroogd' veen neemt bij regen nauwelijks water op. Het gewicht van veen neemt maar langzaam toe. Het duurt maanden voor het veen weer verzadigd is met water en zijn oorspronkelijke gewicht terug heeft. Ook verdroogde klei heeft maanden nodig om het tekort in de bodem weer aan te vullen.
Besproeien van de dijk
Door het besproeien van de veendijk kan verdere uitdroging worden voorkomen, zodat er geen scheuren komen. Dit doen we alleen bij veendijken. Bij droogtegevoelige dijken waar het veen is afgedekt met een dikke kleilaag is het besproeien van de dijk niet effectief. Droogtegevoelige kleidijken worden daarom niet besproeid.
Tijdens de inspecties wordt gelet op verzakkingen in de dijk, scheuren, lekkage en uitstulpingen. De dijkinspecteur noteert alle zwakke plekken via een speciale app. De exacte locatie en een foto van de scheur worden opgeslagen. Zo kunnen we de conditie van de dijk goed blijven monitoren.
Niet alle dijken zijn even droogtegevoelig. Bij de controles wordt hierop ingespeeld. De meest droogtegevoelige dijken worden als eerste gecontroleerd (17 km). Bij aanhoudende droogte worden ook de iets minder droogtegevoelige dijken gecontroleerd (42 km), bij aanhoudende droogte worden alle droogtegevoelige dijken gecontroleerd (200 km).
Ontstaan er scheuren of verzakkingen die de veiligheid van een dijk kunnen beïnvloeden? Dan grijpen we in. Scheuren vullen we op met klei en grond. Bij kleine scheurtjes kan ervoor gekozen worden om de scheuren te monitoren en niet te herstellen. Kleine scheurtjes treden vaker op in dijken en zijn niet meteen alarmerend. Bij verzakkingen nemen we maatregelen om de dijk te versterken.