Aflezen van waterstanden

In peilbesluiten staat welke waterpeilen worden aangehouden in sloten, vaarten, kanalen en waterpartijen. Op een peilschaal kun je controleren of het water ook echt dit peil heeft.

Peilschalen hangen verspreid over het hele gebied van Delfland. Je kunt ze vaak vinden naast of op de stuw waarmee het waterpeil geregeld wordt. Er bestaan twee soorten peilschalen: voor de boezem en voor polders. Op de peilschaal staat om welke van de twee het gaat. De nul op een peilschaal in de boezem geeft het NAP-niveau aan. Het waterpeil staat hier gemiddeld op -0,43 op de peilschaal. De nul op een peilschaal in polders staat op de hoogte van het waterpeil uit het peilbesluit. Deze nullijn is gemarkeerd met de rode letters ‘SP’ van schouwpeil.

Het waterpeil heeft niet overal het hele jaar door één vast niveau. In sommige agrarische gebieden bijvoorbeeld staat in de zomer het waterpeil hoger dan in de winter. In andere gebieden wordt een flexibel peil aangehouden. Dit betekent dat de waterstand tussen een minimum- en een maximumpeil mag schommelen. In deze gebieden staat op de peilschaal aangegeven welke verschillende waterpeilen er gelden en wanneer die gelden.

Het waterpeil in een gebied wordt op het gewenste niveau gehouden door een combinatie van gemalen en stuwen. Als het waterpeil in een gebied te hoog is, stroomt er water over een stuw naar het aangrenzende gebied of wordt het water door een gemaal weggepompt. Als het waterpeil te laag is, wordt er via het gemaal extra water naar het gebied gepompt.