In de nevenvestiging van Delfland op het Delftechpark 23 in Delft, hangt in de ontvangsthal de getijklok van Hoek van Holland. De uitleg over deze klok vindt u hier.
Eb en vloed ontstaan door de aantrekkingskracht van maan en zon, waarbij de maan de meeste kracht uitoefent. Langs onze kusten heerst een dubbeldaags tij. Dit betekent dat het water ieder etmaal twee keer rijst en valt. Het getijverloop en het tijverschil zijn globaal af te lezen op de getijklok.
De wijzer beweegt rechtsom in gemiddeld 12 uur en 25 minuten. Van hoog water naar hoog water duurt dus gemiddeld 12 uur en 25 minuten. De getijgolven komen de ene week sneller dan de andere week. Dit hangt samen met de stand van de maan en de zon ten opzichte van elkaar.
De cijfers op de klok zijn de uren vóór en na hoog water (HW) of laag water (LW). De P en de A staan voor Post en Ante: na en voor hoog water. Draaiend over de wijzerplaat komt de wijzer, die tegelijk als peilstok fungeert, 'dieper' of 'minder diep' in het water (het blauwe vlak) te staan. Bij hoog water, wanneer de wijzer loodrecht onder de aanduiding HW staat, ligt deze in zijn volle lengte over het blauwe vlak. Het water is dan als het ware tot het topje van de 'peilstok' gerezen, dus hoog water. Het duurt ongeveer vijf uur van hoog tot laag water, dus van HW naar LW.
Laag water is het wanneer de wijzer op één van de aanduidingen LW staat. Het eerste laag water treedt ruim vijf uur na hoog water op. Een tweede ruim vier uur vóór hoog water. Daartussen bevindt zich een merkwaardige (tijdelijke) rijzing van het zeewaterniveau. Die vindt plaats wanneer de wijzer op de letter A staat. Deze A markeert de zogeheten AGGER. Dit is een lichte rijzing van het water die plaatsvindt ongeveer halverwege de twee buitenste LW's.
Een getijklok kenmerkt zich door zijn specifieke getijvorm: het blauwe oppervlak. De wijzerplaat voor het getij van Hoek van Holland kent twee getijvormen die als het ware over elkaar heen geschoven liggen. Doordat de wijzer ook als peilstok fungeert is ook het tijverschil van het zeewaterniveau af te lezen op de getijklok. Gemeten vanaf de as (het middelpunt van de wijzerplaat) kan daardoor langs de wijzer de relatieve waterhoogte aangegeven worden. De witte boog in de getijvorm geeft het NAP aan.
De getijklok geeft alleen het relatieve (en plaatselijk bekende) tijverschil aan. Tijdens nieuwe en volle maan rijst het water bij hoog water tot hoger dan gemiddeld, en valt bij laag water tot lager dan gemiddeld. Bij Hoek van Holland is het verschil gemiddeld 1.90 meter bij springtij en 1.48 meter bij doodtij.
De klok waarschuwt overigens niet wanneer het dood- of springtij is. Het fenomeen springtij doet zich steeds twee dagen na nieuwe en volle maan voor. Het water rijst dan tot een hoger niveau en valt tot een lager niveau dan normaal. Doodtij treedt een week later op: twee dagen na 'halve' maan.
Spring- en doodtij worden qua waterhoogten weergegeven door middel van twee over elkaar geprojecteerde getijvormen. De naar links overhellende, ietwat afgeplatte contour is de doodtijcurve. De contour van de hogere en smallere vorm is springtij.
