Archeologen horen dikwijls: 'Kunnen jullie voorspellen waar iets in de bodem zit?' Het antwoord is: 'Ja, in grote lijnen. Een plek waar mensen leefden is heel goed vooraf, zonder graven, op te sporen dankzij vooronderzoeken.'
De vele archeologische vondsten en opgravingen hebben duidelijk gemaakt dat er binnen het gebied van Delfland al bijna 6000 jaar mensen wonen. Het gaat hierbij niet alleen om bewoningssporen uit de Romeinse tijd (50 v. Chr. - 450 n. Chr.) en de Middeleeuwen/Nieuwe tijd (450 - 1850 n. Chr.), ook uit de periodes daarvoor zijn archeologische restanten gevonden. Zo zijn er in het kustgebied lange duinruggen met daarop sporen van bewoning uit de Nieuwe Steentijd (ca. 3900 - 2000 v. Chr.). Elders zijn sporen van huizen ontdekt uit de Bronstijd (2000 - 850 v. Chr.) en de IJzertijd (850 - 50 v. Chr.).
Naar aanleiding van de reeds bekende informatie over archeologische vindplaatsen in een bepaald gebied wordt met behulp van grondboringen, kleine proefputjes en proefsleuven de verwachting van het voorkomen van vindplaatsen verder onderzocht. Door dit kleinschalige onderzoek wordt zo goed als niets van de vindplaatsen beschadigd en toch kunnen archeologen met deze gegevens de waarde van de onderzochte locaties goed inschatten.
Als de vooronderzoeken een archeologische vindplaats hebben aangetoond, dan is het streven die ongeschonden te laten liggen. Helaas is het niet altijd mogelijk de plannen van de inrichting of de bouwmethoden aan te passen en daardoor de archeologie te sparen. In die gevallen hoort een archeologische opgravig de vondsten en de informatie veilig te stellen.
Met een graafmachine wordt de afdekkende bovengrond verwijderd. Deze bovenste lagen zijn dikwijls verstoord door ploegen en (ondiepe) bebouwing en daardoor niet meer bruikbaar voor archeologisch onderzoek. Onder deze laag worden verkleuringen in de bodem zichtbaar, de zogenaamde grondsporen. Deze getuigenissen van menselijke arbeid en bodemgebruik blijven eeuwenlang zichtbaar in de bodem als zij niet verstoord zijn door latere graafwerkzaamheden. De vorm, de opvulling en de onderlinge relatie in de ligging geven aan of het gaat om kuilen, waterputten, sloten, of vergane palen van huizen, hekjes en schuren.

Alle grondsporen worden op schaal getekend, gefotografeerd en de gegevens worden in de computer ingevoerd. Daarna worden ze nog eens apart 'verticaal' doorsneden, getekend en de vulling wordt uitgeplozen op vondsten. Die worden verzameld, soms schoongemaakt, gedroogd, genummerd, geteld of gewogen en door specialisten beschreven. Grondmonsters worden genomen op plaatsen waar de aanwezigheid wordt vermoed van stuifmeelkorrels, plantenresten, visgraten en insecten. Want ook minuscule vondsten kunnen veel informatie geven over de flora, de fauna en de leefomstandigheden van toen.
